Laden...
Laden...
Meer over Turien & Co.
Even een krabbel zetten? Let op de risico's

De heer Jacobse, een goede klant van jouw kantoor, belt. Hij heeft een andere auto gekocht. Of je die even wilt verzekeren. Natuurlijk wil je dat. Je neemt telefonisch het aanvraagformulier door en vult op het formulier de antwoorden van Jacobse in. Ook bij de slotvraag vul je keurig in dat Jacobse niets te melden heeft. Dan kom je bij de handtekening. “Ach joh, zet jij even een krabbel, dan is het maar geregeld,” hoor je Jacobse zeggen. Servicegericht als je bent, doe je dat.
Een situatie die zeker vanuit het verleden herkenbaar is. De “natte” handtekening wordt echter in snel tempo vervangen door de digitale handtekening, waarbij digitale handtekeningen over het algemeen door de klant zelf worden geplaatst.
Toch worden er nog de nodige “natte handtekeningen” geplaatst. Al was het maar in de overeenkomsten van opdracht tussen de klant en de financieel dienstverlener.
Dat zorgt ervoor dat het belang van “de handtekening” een boeiend onderwerp blijft.
Een handtekening onder een tekst heeft de bedoeling tot uitdrukking te brengen dat degene die de handtekening onder de tekst plaatst, deze tekst heeft gelezen en zich akkoord verklaart met de inhoud van die tekst. Zijn er meerdere pagina’s, dan is het gebruikelijk dat elke pagina geparafeerd wordt. Het doel is hetzelfde: “Ik heb deze pagina gelezen en ik ben akkoord met de tekst die op deze pagina staat.”
De bedoeling is dat de ondertekening plaatsvindt door degene die zich met de inhoud van het document akkoord verklaart. De ondertekenaar en de belanghebbende zijn dezelfde persoon.
De praktijk laat echter zien dat degene die de handtekening zet niet altijd degene is van wie de schijn wordt gewekt dat hij het is. Dat kan onder meer de volgende redenen hebben:
De ondertekenaar wil bewust anderen misleiden.
De ondertekenaar meent in het belang te handelen van degene die feitelijk zelf de handtekening had behoren te zetten.
Over degene die bewust anderen wil misleiden, gaan wij het nu verder niet hebben. Wel gaan wij kijken naar de collega die het goed bedoelt en een “krabbel” zet.
Jij hebt als kantoor met de klant afgesproken dat voor jouw advies over de zakelijke verzekering jouw kosten niet via provisie maar via een uurvergoeding door de klant worden vergoed. Dit staat keurig in de overeenkomst van dienstverlening, inclusief het uurtarief. Op de overeenkomst van opdracht staat onder de naam van de klant “een” handtekening.
Nadat jij de factuur hebt verzonden, krijg je het bericht van de klant: Dat zijn we niet overeengekomen. Het gesprek dat wij hebben gehad was een oriëntatiegesprek. Pas wanneer ik naar aanleiding van het advies jou zou vragen de verzekering tot stand te brengen (bemiddelen), zou ik iets betalen. Die “handtekening” is niet van mij. Die heb je denk ik zelf gezet. Ik betaal jouw nota niet.
Als financieel adviseur ben je het hier niet mee eens. Dat de handtekening wel degelijk van de klant is, is jouw stelling. Na de nodige correspondentie eindig je bij het Kifid. Hoe gaat dat met deze problematiek om? In de uitspraak van de Geschillencommissie Kifid 2024-0111 geeft de commissie aan langs welke lijn zij tot een antwoord komt:
Een overeenkomst tussen twee partijen komt tot stand indien zij dat beiden willen en dat over en weer aan elkaar hebben verklaard.
De partij die stelt dat de andere partij door het plaatsen van zijn handtekening heeft verklaard dat hij akkoord is gegaan met de inhoud van de overeenkomst, moet, als de andere partij betwist de handtekening te hebben gezet, bewijzen dat de andere partij wel degelijk de handtekening heeft gezet.
Een ondertekend geschrift vormt echter dwingend bewijs.
Heeft een partij dit bewijs geleverd, dan mag de andere partij tegenbewijs leveren.
De waardering van dit tegenbewijs is aan de rechter.
Als we deze lijn “vertalen”, dan staat er feitelijk:
De adviseur moet aan de hand van een door de klant ondertekend stuk aantonen dat de klant akkoord is gegaan met de inhoud van dit stuk. Wanneer er alleen een mondelinge overeenkomst van opdracht is, dan kan de adviseur mogelijk het bestaan van de afspraak niet bewijzen.
Is er echter een schriftelijk stuk met de handtekening van de klant, dan is de adviseur geslaagd in zijn bewijs.
Stelt de klant vervolgens dat de ondertekening niet zijn handtekening is, dan komt de bewijslast van deze stelling bij hem te liggen. Hij mag de stelling dat “de” handtekening niet “zijn” handtekening is, op alle mogelijke manieren proberen aan te tonen. De rechter of de geschillencommissie zal dit vervolgens wegen.
Juridisch gezien is het toegestaan om een ander te vertegenwoordigen. In beginsel kan een financieel adviseur dus namens de klant een overeenkomst aangaan, inclusief het ondertekenen van een daartoe noodzakelijk document.
In de relatie tussen de klant en de financieel adviseur moet dan volstrekt helder zijn wat de grenzen en voorwaarden van de vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn. Is deze instructie en autorisatie niet goed geregeld, dan kan de klant achteraf de stelling betrekken dat de adviseur hem onbevoegd vertegenwoordigd heeft. In ons voorbeeld aan het begin van dit artikel kan Jacobse de stelling innemen dat jij als adviseur ten onrechte bij de slotvraag hebt aangegeven dat Jacobse geen aanvullende informatie had die voor de verzekeraar relevant is. Dit omdat, zoals Jacobse mogelijk stelt, hij in het gesprek heeft aangegeven dat eerdere aanvragen voor een verzekering geweigerd waren, maar jij als adviseur dit niet hebt overgenomen omdat je de post “wilde doen”.
Jij als adviseur zult dan waarschijnlijk moeten bewijzen dat je de antwoorden hebt gegeven zoals jouw opdrachtgever jou heeft opgedragen. Dat kan bijvoorbeeld door dezelfde dag een kopie van het aanvraagformulier aan de klant te sturen en aan te dringen om goed te controleren of hetgeen jij namens de klant hebt ingevuld overeenkomt met de wens van de klant.
Naast de klant heb je ook te maken met de derde tot wie de verklaring is gericht. In ons voorbeeld is dat de verzekeraar.
Je mag als adviseur de klant vertegenwoordigen. De verzekeraar moet dit dan wel kunnen zien. Het “namaken van de handtekening” van de klant is dus geen optie. Ook is het geen optie om onder de naam van de klant een fictieve krabbel te zetten waarmee de schijn wordt gewekt dat de klant zelf heeft getekend.
Wanneer je al als adviseur namens de klant een document bestemd voor de verzekeraar wilt tekenen, dan zul je dit onmiskenbaar duidelijk op het formulier dienen te vermelden. Bijvoorbeeld door helder te vermelden: namens >naam klant< in zijn opdracht ondertekend door >naam< financieel advieskantoor X. Het is vervolgens aan de verzekeraar om te bepalen of hij op basis hiervan de verzekering wil accepteren dan wel toch echt de handtekening van de klant zelf wil hebben.
Vertegenwoordiging van een klant door een adviseur is niet alleen een juridisch vraagstuk. Ook aanbieders kunnen hiervoor eigen procedures en voorwaarden hanteren. Zo kennen diverse marktpartijen samenwerkingsvoorwaarden waarin is vastgelegd onder welke omstandigheden een door de adviseur namens de klant gegeven akkoord wordt geaccepteerd. Ook bieden aanvraagformulieren steeds vaker de mogelijkheid om expliciet aan te geven dat de adviseur namens de klant handelt. Daarmee wordt voorkomen dat de indruk ontstaat dat de klant zelf heeft getekend, terwijl tegelijkertijd duidelijk blijft op basis van welke bevoegdheid de adviseur optreedt.
Het advies is: Wees zorgvuldig met handtekeningen. Het risico dat er narigheid van komt, is daarvoor te groot. Narigheid in de vorm dat klanten jou aansprakelijk stellen. Aanbieders die gaan twijfelen aan jouw betrouwbaarheid en de samenwerking gaan heroverwegen. En wanneer je het al te dol maakt, ook een AFM die iets van jouw bedrijfsvoering kan gaan vinden. Bij dat alles komt dan ook nog de vraag of jouw beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij het bewust plaatsen van een “verkeerde” handtekening dekking zal verlenen. Niet rommelen met handtekeningen dus.